KNAW

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Het aantal geboorten zal weer gaan toenemen, maar niet vóór 2015

Joop de Beer (NIDI)

Op 15 juli meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat het aantal geboorten is gedaald tot het laagste niveau sinds begin jaren tachtig. In 2012 werden 176 duizend kinderen geboren, in 1983 waren dat er 170 duizend. Net als nu was er toen sprake van een heftige economische recessie. In 2000 werden er nog bijna 207 duizend kinderen geboren. Toen overheerste juist optimisme over de economie. Het lage geboortenaantal in 2012 wordt door het CBS in verband gebracht met de huidige economische recessie. Dat ligt inderdaad voor de hand. Maar de crisis verklaart niet het volledige verschil van 31 duizend geboorten tussen 2000 en 2012. Er zijn ook minder vrouwen op vruchtbare leeftijd. Voor de komende jaren valt nog een verdere daling van het aantal geboorten te verwachten, maar daarna zal het aantal weer stijgen. Niet alleen zal economisch herstel tot een stijging van het vruchtbaarheidscijfer leiden, ook zal het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd toenemen.

Het jaarlijkse aantal geboorten hangt af van twee factoren, namelijk het kindertal per vrouw en het aantal vrouwen. Als maatstaf voor het gemiddelde kindertal wordt doorgaans de zogenaamde 'total fertility rate' (TFR) berekend. De hoogte van de TFR hangt af van veranderingen in het gemiddelde kindertal van vrouwen in opeenvolgende generaties (de zogenaamde cohortvruchtbaarheid) en van veranderingen in de leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen. Figuur 1 vergelijkt de TFR met het uiteindelijke kindertal van vrouwen van dertig jaar. De reden om te kiezen voor vrouwen van dertig jaar is dat dit ongeveer de gemiddelde leeftijd is waarop vrouwen moeder worden. Voor een deel zijn dit prognosecijfers. Van vrouwen die nu dertig jaar zijn is het uiteindelijke kindertal uiteraard nog niet bekend. De figuur laat zien dat tussen 1970 en 2000 de TFR lager lag dan de cohortvruchtbaarheid. De oorzaak was dat in die periode het krijgen van kinderen werd uitgesteld. Sinds 2000 liggen de niveaus van de TFR en het uiteindelijke kindertal van geboortegeneraties dicht bij elkaar.

Figuur 1. Vruchtbaarheidscijfer (TFR) en uiteindelijk kindertal van dertigjarige vrouwen

Figuur 1. Vruchtbaarheidscijfer (TFR) en uiteindelijk kindertal van dertigjarige vrouwen

Effect van crisis

De relatie tussen geboorten en de economische conjunctuur kan het best worden  bekeken aan de hand van de TFR. Het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd heeft immers niets met de conjunctuur te maken, maar hangt af van veranderingen in de leeftijdssamenstelling van de bevolking. Jaarlijkse veranderingen in de TFR hangen duidelijk samen met fluctuaties van de zogenaamde vertrouwensindex van het CBS. Hierbij vertoont de TFR een vertraging van zo'n twee jaar ten opzichte van de vertrouwensindex. Dat de vertraging minstens negen maanden moet bedragen, is duidelijk. Maar de vertraging is langer, omdat potentiële ouders niet onmiddellijk reageren op een economische omslag. De tabel laat zien dat er sinds halverwege de jaren zeventig vier perioden waren waarin het vertrouwen in de economie terugliep en steeds daalde de TFR twee jaar later. Tussendoor waren er drie perioden van economische opgang waarin het optimisme toenam, en steeds nam de TFR twee jaar later toe. Er is dus inderdaad reden om aan te nemen dat de daling van de TFR in 2011 en 2012 samenhangt met de huidige recessie. Omdat in 2012 het vertrouwen in de economie verder is teruggelopen en ook in het eerste halfjaar van 2013 laag is gebleven kan worden verwacht dat de TFR in ieder geval tot 2014 verder zal dalen en waarschijnlijk ook in 2015 nog laag zal zijn. In 2012 bedroeg de TFR 1,72 tegen 1,80 in 2010. Gezien het dalende vertrouwen valt te verwachten dat de TFR in 2013 en 2014 onder de 1,70 zal dalen.

Tabel. Verandering in vertrouwensindex en in TFR


Periode Verandering in
vertrouwensindex
Periode Verandering in
TFR

1977-1983 -44 1979-1985 -0,05
1983-1990 41 1985-1992 0,08
1990-1993 -12 1992-1995 -0,06
1993-2000 27 1995-2002 0,20
2000-2005 -46 2002-2007 -0,01
2005-2007 26 2007-2009 0,07
2007-2012 -25 2009-2012 -0,07

Uitstel van geboorten

Maar de daling van de TFR zal waarschijnlijk tijdelijk zijn. In de afgelopen dertig jaar bleek in een periode van economische opgang de TFR steeds weer sterker te stijgen dan de daling in de recessie ervoor. Dit komt niet doordat het kindertal van opeenvolgende generaties toeneemt, maar heeft te maken met een andere factor die de hoogte van de TFR de laatste decennia heeft beïnvloed, namelijk uitstel en inhaal van geboorten. Tussen 1980 en 2000 hebben vrouwen het krijgen van kinderen uitgesteld. Figuur 2 laat zien dat steeds minder vrouwen hun kinderen vóór hun dertigste kregen. Het aantal baby's met een moeder van jonger dan dertig daalde tussen 1970 en 2000 met  meer dan de helft. Dit leidde aanvankelijk tot een daling van de TFR, van 2,6 in 1970 naar 1,5 in 1985. Het aantal vrouwen van dertig jaar of ouder dat een kind kreeg steeg juist. Het aantal moeders van dertig jaar of ouder verdubbelde. tussen 1980 en 2010. Hierdoor ging de TFR vanaf de jaren tachtig weer toenemen, tot 1,8 in 2010. Dit verklaart waarom de TFR per saldo sinds de jaren tachtig structureel is toegenomen, los van conjuncturele fluctuaties.

Figuur 2. Vruchtbaarheidscijfer (TFR) van vrouwen van jonger dan dertig en vrouwen van dertig jaar en ouder

Figuur 2. Vruchtbaarheidscijfer (TFR) van vrouwen van jonger dan dertig en vrouwen van dertig jaar en ouder

Rond 2000 is een einde gekomen aan de daling van het aantal vrouwen van jonger dan dertig dat een kind krijgt. En de laatste jaren is het aantal vrouwen van dertig of ouder dat een kind krijgt niet of nauwelijks meer toegenomen. Er lijkt een einde te zijn gekomen aan het uitstel- en inhaalproces. Na herstel van de economie, valt dus wel te verwachten dat de TFR weer stijgt naar het niveau van vóór de recessie, zo rond 1,8 maar niet verder. Dit is dan ook wat het CBS in de bevolkingsprognose veronderstelt. Om precies te zijn: het CBS veronderstelt een gemiddeld kindertal van 1,75 kinderen per vrouw.

Minder moeders

Het aantal geboorten hangt niet alleen af van de hoogte van de TFR, maar ook van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd. We kunnen natuurlijk het totale aantal vrouwen in de leeftijd van 15 tot 50 jaar tellen, maar aangezien veel meer vrouwen van rond de dertig kinderen krijgen dan van begin twintig of eind veertig, ligt het voor de hand vrouwen van rond de dertig zwaarder mee te tellen. Daarom hebben we het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijden gewogen met hun aandeel in de hoogte van de TFR. Dan blijkt dat het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijden in 1995 een hoogtepunt bereikte en sindsdien met 18 procent is gedaald (zie figuur 3). Dit is een echo van de geboortedaling in de jaren zeventig. Vanaf 2015 zal het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd weer gaan toenemen. Dit is een echo van de stijging in het aantal geboorten in de jaren tachtig en negentig, die op zijn beurt een echo was van de hoge geboortenaantallen in de jaren vijftig en zestig. In 2030 zullen er 6 procent meer vrouwen in de vruchtbare leeftijd zijn dan nu. Hierdoor valt te verwachten dat het aantal geboorten in 2030 ook hoger zal zijn dan nu. Als rekening wordt gehouden met economisch herstel zal het aantal geboorten in 2030 8 procent hoger zijn dan nu.

Figuur 3. Aantal geboorten per jaar en aantal vrouwen in vruchtbare leeftijden (gewogen met hun aandeel in de vruchtbaarheid)

Figuur 3. Aantal geboorten per jaar en aantal vrouwen in vruchtbare leeftijden (gewogen met hun aandeel in de vruchtbaarheid)


 

Joop de Beer (2013), Het aantal geboorten zal weer gaan toenemen, maar niet vóór 2015. NIDI-Webartikel 2013-01, augustus 2013. [www.nidi.nl/nidi-webart-2013-01]


 

Links:

NIDI-Webartikel



Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken