KNAW

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Vergelijking van de bevolkingsprognoses van Pearl en Primos voor de vier grote steden

Joop de Beer, Peter Ekamper en Nicole van der Gaag (NIDI)

In Nederland worden twee regionale bevolkings- en huishoudensprognoses gemaakt: Pearl en Primos. Dit artikel vergelijkt voor de vier grote gemeenten de verschillen in de twee prognose met betrekking tot de voorspelde omvang van de bevolking en onderzoekt hoe die verschillen zich verhouden tot verschillen in de prognose van de gemiddelde huishoudensgrootte en veronderstellingen over veranderingen in de omvang van de woningvoorraad. De Primos-prognose voorspelt een grotere toename van zowel het aantal inwoners als het aantal huishoudens in elk van de vier grote gemeenten dan de Pearl-prognose. Voor drie van deze gemeenten gaat de Primos-prognose uit van een sterkere groei van de woningvoorraad dan de Pearl-prognose. Maar dat verklaart maar voor een deel de hogere bevolkings- en huishoudensgroei. Voor alle vier de grote gemeenten voorspelt de Primos-prognose een sterkere groei van het aantal huishoudens dan van het aantal woningen, terwijl bij de Pearl-prognose de groei van het aantal huishoudens over het algemeen gelijk opgaat met de groei van de woningvoorraad.

Inleiding

Voor alle gemeenten van Nederland worden geregeld bevolkingsprognoses opgesteld. Naast prognoses die door gemeenten zelf en door provincies worden gemaakt, bestaan er twee prognoses die op consistente wijze voor alle gemeenten van Nederland de toekomstige bevolkingsontwikkeling voorspellen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stellen om de drie jaar met behulp van het Pearl-prognosemodel (De Jong en Alders, 2006) de zogenaamde PBL/CBS regionale bevolkings- en huishoudensprognose op, die we kortheidshalve zullen aanduiden als de Pearl-prognose, terwijl ABF Research jaarlijks de Primos-prognose opstelt (ABF Research, 2010). Beide prognoses zijn op nationaal niveau (nagenoeg) consistent met de nationale CBS bevolkings- en huishoudensprognose. De uitkomsten van de Pearl- en de Primos-prognose verschillen echter in de prognose van de toekomstige verdeling van de bevolking over de gemeenten van Nederland. In grote lijnen is het belangrijkste verschil dat de Primos-prognose een grotere bevolkingsgroei in de grote gemeenten en in het westen van het land voorspelt dan de Pearl-prognose.

Oorzaak van die verschillen is enerzijds dat de prognosemodellen van Pearl en Primos van elkaar verschillen en anderzijds dat de veronderstellingen over de mutaties in de bevolking en huishoudens van gemeenten uiteenlopen. Zowel de Pearl- als Primos-prognose voorspellen de bevolkingsomvang met behulp van de zogenaamde cohortcomponenten¬methode en voorspellen aantallen huishoudens op basis van veronderstellingen over overgangen tussen huishoudensposities. Beide modellen verschillen in de wijze waarop ze binnenlandse migratie en huishoudensveranderingen modelleren. De Primos-prognose onderscheidt bovendien andere (en meer) huishoudensposities dan de Pearl-prognose en dan de CBS-huishoudensprognose. Daarnaast bestaan er verschillen in de veronderstellingen over de verandering in de woningvoorraad.

We vergelijken voor de vier grote gemeenten – Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht – de Pearl- en Primos-prognoses die in 2013 zijn opgesteld (Huisman et al., 2013; Poulus et al., 2013) en die op nationaal niveau consistent zijn met de CBS-bevolkingsprognose die eind 2012 is gepubliceerd (Van Duin en Stoeldraijer, 2013) en de daarmee corresponderende CBS-huishoudensprognose die in het voorjaar van 2013 is gepubliceerd (Van Duin et al., 2013).

Bevolking, huishoudens en woningen

Dit artikel vergelijkt voor de vier grote gemeenten de verschillen in de voorspelde omvang van de bevolking tussen de Pearl- en de Primos-prognose en onderzoekt hoe die verschillen zich verhouden tot verschillen in de prognose van gemiddelde huishoudensgrootte en veronderstellingen over veranderingen in de omvang van de woningvoorraad. Dus als de Pearl-prognose voor een gemeente een hoger inwonertal voorspelt dan de Primos-prognose wordt onderzocht of de Pearl-prognose voor die gemeente een grotere woningvoorraad veronderstelt of een grotere gemiddelde huishoudensgrootte (bijvoorbeeld minder alleenstaanden) of een grotere woningbezetting (meer huishoudens per woning) of een combinatie van de drie.

In beide modellen hebben de veronderstellingen over veranderingen in woningvoorraad een ander karakter dan veronderstellingen over veranderingen in de bevolking en huishoudens. Veronderstellingen over de woningvoorraad hebben een exogeen karakter: zij vormen input voor de prognoses van bevolking en huishoudens. Prognoses van veranderingen in de bevolking en dan met name over verhuisstromen en prognoses van de woningbezetting (het aantal huishoudens per woning) hebben een endogeen karakter: zij zijn mede afhankelijk van de veronderstellingen over de woningvoorraad. Het omgekeerde geldt niet. Er wordt geen extra uitbreiding van de woningvoorraad voorspeld wanneer het aantal huishoudens sterker toeneemt dan het aantal woningen en evenmin sloop wanneer het aantal huishoudens in de toekomst beduidend lager is dan het aantal woningen. In de Pearl-prognose worden geen uitspraken over de woningmarkt gedaan, terwijl ABF Research voor prognoses van de woningmarkt naast de Primos-prognose gebruik maakt van een ander model: Socrates (ABF Research, 2012).

Het aantal huishoudens is niet gelijk aan het aantal woningen. Enerzijds is er sprake van leegstand (7 procent in de vier grote gemeenten), anderzijds kunnen meerdere huishoudens in één woning zijn gehuisvest (bijvoorbeeld alleenstaanden die een woning delen). Verder kunnen mensen wonen in containerwoningen die in het woningregister niet als afzonderlijke woning zijn geregistreerd (bijvoorbeeld studenten en asielzoekers). In de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) worden die overigens wel als woonruimte aangemerkt. De cijfers voor de Primos- en de Pearl-prognose die in dit artikel worden vergeleken, zijn gebaseerd op het woningregister. Volgens de BAG was de omvang van de woningvoorraad in Nederland in 2012 1,7 procent groter dan volgens het woningregister. Maar ook uitgaande van de BAG zijn er meer huishoudens dan woningen. Immers ook de BAG telt niet alle woningen afzonderlijk. Onzelfstandige woningen, zoals studentenflats, worden alleen als afzonderlijke woningen gezien als de eenheden een eigen adres hebben. Anders worden ze samen als één verblijfsobject gezien. Gemiddeld wonen er dus meer personen in een woning dan de gemiddelde huishoudensgrootte, doordat enerzijds meerdere huishoudens een woning kunnen delen en anderzijds huishoudens in een onzelfstandige woning kunnen zijn gehuisvest.

Ondanks de leegstand is in de vier grote gemeenten het totale aantal huishoudens 8 procent groter dan het aantal woningen. Overigens is leegstand voor een deel administratief van aard. Het betekent niet noodzakelijk dat de woning beschikbaar is voor de woningmarkt. Als er geen persoon staat ingeschreven, kan dat bijvoorbeeld komen doordat het een tweede huis is of doordat er een diplomaat woonachtig is, die zich niet in de gemeentelijke bevolkingsadministratie (GBA) hoeft in te schrijven. Volgens het CBS is ongeveer drie kwart van de leegstaande woningen beschikbaar voor de woningmarkt.

In de vier grote gemeenten wonen er gemiddeld 2,07 personen in een woning, terwijl de gemiddelde huishoudensgrootte 1,92 bedraagt. Het verschil is vooral groot in Utrecht (zie figuur 1). De huishoudensgrootte in Utrecht is 1,9 personen per huishouden, maar er wonen gemiddeld 2,3 personen in een woning. In Utrecht is het aantal huishoudens dan ook ruim 20 procent groter dan het aantal woningen. In kleinere universiteitssteden is het verschil overigens nog veel groter. Zo is in Wageningen het aantal huishoudens maar liefst 50 procent groter dan het aantal woningen.

Figuur 1. De gemiddelde huishoudensgrootte en het aantal inwoners per woning, 2012

Figuur 1. De gemiddelde huishoudensgrootte en het aantal inwoners per woning, 2012

Bron: CBS.

Veronderstellingen van de Pearl- en de Primos-prognose over huishoudens en woningen

De Primos- en de Pearl-prognose zijn gebaseerd op verschillende veronderstellingen over de toename van de woningvoorraad. Voor de vier grote gemeenten samen is het verschil niet heel groot. De Primos-prognose veronderstelt een toename van de woningvoorraad tussen 2012 en 2040 met 19,5 procent en de Pearl-prognose met 17,2 procent. Maar de verschillen tussen de beide prognoses zijn voor de afzonderlijke steden wat groter. Een overeenkomst tussen beide prognoses is dat ze beide de relatief sterkste groei verwachten in Utrecht en de minste groei in Rotterdam (zie figuur 2). Maar een verschil is dat de Primos-prognose voor Rotterdam een 5 procent sterkere toename in het aantal woningen veronderstelt dan de Pearl-prognose, terwijl voor Utrecht juist de Pearl-prognose een 3 procent sterkere groei veronderstelt.

Figuur 2. De omvang van de woningvoorraad in de vier grote gemeenten (geïndexeerd, 2012 = 100) volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Figuur 2. De omvang van de woningvoorraad in de vier grote gemeenten (geïndexeerd, 2012 = 100) volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Bron: ABF Research, CBS en PBL.

De relatie tussen de groei van het aantal inwoners en de toename van de woningvoorraad hangt af van de gemiddelde huishoudensgrootte. Veranderingen in de gemiddelde huishoudensgrootte worden vooral veroorzaakt door veranderingen in het percentage alleenstaanden. De grootte van meerpersoonshuishoudens blijkt volgens beide prognoses niet veel te veranderen. De Pearl- en de Primos-prognose voorspellen uiteenlopende ontwikkelingen in de gemiddelde huishoudensgrootte. De Primos-prognose voorspelt relatief weinig verandering in de gemiddelde huishoudensgrootte in drie van de grote gemeenten, maar een flinke daling in Rotterdam (zie figuur 3). De Pearl-prognose voorspelt juist een stijging in Rotterdam tot 2030, en pas daarna een lichte daling. Daarentegen voorspelt de Pearl-prognose een forse daling in de huishoudensgrootte voor Den Haag, waar de Primos-prognose nauwelijks verandering verwacht. Voor Amsterdam en Utrecht voorspelt de Pearl-prognose eerst een stijging, maar op de lange termijn een daling, waardoor de huishoudensgrootte in 2040 niet veel van die van de Primos-prognose verschilt.

Figuur 3. De gemiddelde huishoudensgrootte in de vier grote gemeenten volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Figuur 3. De gemiddelde huishoudensgrootte in de vier grote gemeenten volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Bron: ABF Research, CBS en PBL.

De relatie tussen de groei van het aantal inwoners en het aantal woningen hangt niet alleen af van de huishoudensgrootte, maar ook van het aantal huishoudens per woning. In figuur 1 zagen we dat er forse verschillen bestaan tussen de vier grote gemeenten. Maar er bestaan ook flinke verschillen in de veronderstellingen die de Primos- en de Pearl-prognose maken over de verandering in de verhouding tussen het aantal huishoudens en het aantal woningen. De Pearl-prognose verwacht dat deze verhouding maar weinig verandert (zie figuur 4). De groei van het aantal huishoudens gaat volgens de Pearl-prognose dus gelijk op met de groei van de woningvoorraad. Daarentegen veronderstelt de Primos-prognose voor Amsterdam en Utrecht dat het aantal huishoudens beduidend sterker toeneemt dan het aantal woningen.

Figuur 4. De verhouding tussen het aantal huishoudens en het aantal woningen in de vier grote gemeenten volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Figuur 4. De verhouding tussen het aantal huishoudens en het aantal woningen in de vier grote gemeenten volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040.

Bron: ABF Research, CBS en PBL.

Het gevolg van deze verschillende veronderstellingen is dat de verhouding tussen de groei van het aantal inwoners en de groei van de woningvoorraad tussen de Pearl- en de Primos-prognose sterk verschilt. De Pearl-prognose verwacht dat de verhouding tussen het aantal inwoners en woningen in 2040 vrijwel hetzelfde is als in 2012 (zie figuur 5). De Primos-prognose daarentegen verwacht voor Amsterdam en Utrecht een beduidend sterkere groei van het aantal inwoners dan van het aantal woningen. Dit verschil kan niet worden verklaard door veronderstellingen over de gemiddelde huishoudensgrootte, want zoals we in figuur 3 zagen verwacht de Primos-prognose voor Amsterdam en Utrecht nauwelijks verandering in de huishoudensgrootte.

Figuur 5. De verhouding tussen het aantal inwoners en het aantal woningen in de vier grote gemeenten volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Figuur 5. De verhouding tussen het aantal inwoners en het aantal woningen in de vier grote gemeenten volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Bron: ABF Research, CBS en PBL.

Het gevolg van de uiteenlopende veronderstellingen over de woningvoorraad, over de huishoudensgrootte en over de verhouding tussen het aantal huishoudens en woningen is dat de Primos-prognose een sterkere groei van de bevolking in de vier grote gemeenten voorspelt dan de Pearl-prognose. Het verschil is het grootst voor Amsterdam. De Primos-prognose voorspelt 9 procent meer inwoners in 2040 dan de Pearl-prognose. Volgens de Primos-prognose heeft Amsterdam in 2040 meer dan een miljoen inwoners (1,01 miljoen), volgens de Pearl-prognose zullen het er 926 duizend zijn. Voor Den Haag voorspelt de Primos-prognose 4 procent meer inwoners dan de Pearl-prognose, voor Utrecht 3 procent en voor Rotterdam 2 procent.

Figuur 6. Het aantal inwoners in de vier grote gemeenten (geïndexeerd, 2012 = 100) volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Figuur 6. Het aantal inwoners in de vier grote gemeenten (geïndexeerd, 2012 = 100) volgens de Pearl- en de Primos-prognose in 2012, 2020, 2030 en 2040

Bron: ABF Research, CBS en PBL.

Verschillen in voorspelde bevolking van vier grote gemeenten hebben verschillende oorzaken

Als we de voorspelde bevolkingsgroei tot 2040 in de vier grote gemeenten met elkaar vergelijken valt op dat de Primos-prognose voor alle vier gemeenten een sterkere bevolkingsgroei voorspelt dan de Pearl-prognose, maar dat de onderliggende veronderstellingen die tot deze verschillen leiden tussen de vier gemeenten verschillen.

Voor Amsterdam veronderstelt de Primos-prognose een grotere groei van de woningvoorraad tussen 2012 en 2040 dan de Pearl-prognose: 21 procent tegen 18 procent. Maar het verschil in de prognose van de bevolkingsgroei is veel groter: 28 procent volgens de Primos-prognose tegenover 17 procent volgens de Pearl-prognose. Er is nauwelijks verschil in de prognose van de huishoudensgrootte voor Amsterdam tussen de Pearl- en de Primos-prognose. De gemiddelde huishoudensgrootte in 2040 bedraagt volgens de Pearl-prognose 1,81 personen per huishouden en volgens de Primos-prognose 1,82. Terwijl volgens de Pearl-prognose het aantal huishoudens in Amsterdam tot 2040 even sterk groeit als het aantal woningen, is de voorspelde groei van het aantal huishoudens volgens de Primos-prognose 6 procent hoger dan de toename van de woningvoorraad. Volgens de Pearl-prognose beperkt de groei van het aantal woningen in Amsterdam dus de hoogte van de bevolkingsgroei, terwijl de Primos-prognose een beduidend hogere bevolkingsgroei voorspelt die alleen kan worden gerealiseerd als het aantal huishoudens per woning flink toeneemt, doordat meerdere huishoudens een woning delen of doordat meer mensen in een niet-zelfstandige woonruimte zoals een studentenflat wonen.

Van de vier grote gemeenten veronderstellen de Pearl- en de Primos-prognose beide de sterkste groei van het aantal woningen in Utrecht en beide voorspellen voor Utrecht de sterkste groei van het aantal inwoners. Maar ook voor Utrecht zijn er duidelijke verschillen tussen de Pearl- en de Primos-prognose. De Pearl-prognose veronderstelt een sterkere toename van de woningvoorraad dan de Primos-prognose (een groei met 36 procent tussen 2012 en 2040 volgens de Pearl-prognose tegen een toename met 31 procent volgens de Primos-prognose), maar de Primos-prognose voorspelt juist een sterkere groei van de bevolking (een groei met 40 procent volgens de Primos-prognose tegen een groei met 36 procent volgens de Pearl-prognose). Bij de Pearl-prognose is de groei van het aantal inwoners dus gelijk aan de groei van het aantal woningen. De gemiddelde huishoudensgrootte verandert amper. Dat laatste geldt ook volgens de Primos-prognose, maar volgens die prognose groeit het aantal inwoners toch 6 procent sterker dan het aantal woningen. Net als voor Amsterdam veronderstelt de Primos-prognose dus ook voor Utrecht dat het aantal huishoudens veel sterker toeneemt dan het aantal woningen.

Voor Rotterdam veronderstelt de Primos-prognose een hogere groei van de woningvoorraad dan de Pearl-prognose (12 procent groei tot 2040 tegenover 7 procent groei), maar de Primos-prognose verwacht ook een daling van de huishoudensgrootte (van 1,97 naar 1,91 personen per huishouden). Hierdoor is het verschil in prognose van de bevolkingsomvang tussen de Primos- en de Pearl-prognose niet zo groot (8 procent groei volgens de Pearl-prognose tegen 11 procent groei volgens de Primos-prognose). Het verschil in voorspelde bevolkingsomvang tussen de Pearl- en de Primos-prognose is dus kleiner dan het verschil in de veronderstelde groei van de woningvoorraad.

Voor Den Haag veronderstellen de Pearl- en de Primos-prognose vrijwel dezelfde groei van de woningvoorraad. Maar de Pearl-prognose voorspelt een daling van de huishoudensgrootte en de Primos-prognose niet. Hierdoor voorspelt de Pearl-prognose een lagere bevolkingsgroei dan de Primos-prognose (17 procent groei volgens de Pearl-prognose tegen 22 procent groei volgens de Primos-prognose) bij een vrijwel zelfde aantal woningen.

Conclusie

Verschillen tussen prognoses hoeven voor gebruikers niet per se problematisch te zijn. Als de verschillen tussen prognoses systematisch en goed gedocumenteerd zijn, valt er voor de gebruiker echt iets te kiezen. Als concurrerende prognoses een duidelijk andere visie hebben over de toekomstige ruimtelijke spreiding van de bevolking, kan de gebruiker ofwel zelf kiezen tussen beide toekomstbeelden ofwel de beide prognoses met elkaar vergelijken om meer grip te krijgen op de onzekerheid over toekomstige ontwikkelingen.

In grote lijnen blijken de prognosemakers van de Pearl- en de Primos-prognose eenzelfde visie te hebben over de toekomstige ruimtelijke spreiding van de bevolking in Nederland. Beide prognoses veronderstellen dat de bevolkingsgroei in het westen van het land beduidend hoger zal zijn dan in het noorden en het zuiden. Beide prognoses veronderstellen dat de bevolking van grote gemeenten sterker zal groeien dan van kleinere gemeenten. Beide prognoses veronderstellen dat de uitbreiding van de woningvoorraad voor het grootste deel in het westen van het land zal worden gerealiseerd.

Maar als we naar de vier grote gemeenten kijken zijn er duidelijke verschillen tussen de Pearl- en de Primos-prognose. Voor 2040 voorspelt de Primos-prognose bijna 140 duizend meer inwoners in de vier grote gemeenten dan de Pearl-prognose. In de Pearl-prognose wordt de groei van de bevolking in deze gemeenten voor een belangrijk deel bepaald door de groei van het aantal woningen, rekening houdend met veranderingen in de gemiddelde huishoudensgrootte. De Primos-prognose voorspelt daarentegen dat de groei van het aantal huishoudens boven de veronderstelde groei van het aantal woningen ligt. Een mogelijke interpretatie van dit verschil is dat de Pearl- en de Primos-prognose ander gedrag veronderstellen in de situatie waarin veel mensen in de stad willen gaan wonen, maar het aantal woningen beperkt is. Volgens die interpretatie beschrijft de Pearl-prognose een toekomst waarin mensen elders gaan wonen vanwege het tekort aan woningen, terwijl de Primos-prognose een toekomst voorspelt waarin het aantal huishoudens sterker groeit dan het aantal woningen bijvoorbeeld doordat alleenstaanden een woning delen of doordat studenten in een niet-zelfstandige woonruimte wonen.

Voor elk van de vier grote gemeenten voorspelt de Primos-prognose meer bevolkingsgroei dan de Pearl-prognose, maar voor elke gemeente is de oorzaak anders. De hogere voorspelling van het aantal inwoners voor Amsterdam door de Primos-prognose kan vooral worden toegeschreven aan de hogere woningbezetting, dat wil zeggen de sterkere groei van het aantal huishoudens dan van het aantal woningen (zie figuur 7). Voor Rotterdam kan de grotere bevolking volgens de Primos-prognose vooral worden toegeschreven aan de grotere woningvoorraad, al wordt dat voor een deel gecompenseerd door de kleinere huishoudensgrootte. De hogere voorspelling van de bevolking van Den Haag kan daarentegen juist vooral worden toegeschreven aan de hogere huishoudensgrootte volgens de Primos-prognose. Voor Utrecht is net als voor Amsterdam de hogere woningbezetting volgens de Primos-prognose de belangrijkste oorzaak waarom de Primos-prognose van de bevolking hoger is, al wordt wel voor een deel gecompenseerd doordat de Primos-prognose uitgaat van een minder sterke groei van de woningvoorraad.

Figuur 7. De verhouding tussen de procentuele groei in inwoners, woningen en huishoudens tussen 2012 en 2040 volgens de Pearl- en de Primos-prognose

Figuur 7. De verhouding tussen de procentuele groei in inwoners, woningen en huishoudens tussen 2012 en 2040 volgens de Pearl- en de Primos-prognose

Bron: ABF Research, CBS en PBL.

Zonder een goed inzicht in de redenen voor de verschillende veronderstellingen van de Pearl- en de Primos-prognose is het de vraag wat gebruikers met deze verschillen aan moeten. Er zit te weinig systematiek in de verschillen om ze te gebruiken als maatstaf voor de onzekerheid van prognoses. Daarvoor kan beter gebruik worden gemaakt van de nieuwe Welvaart en Leefomgeving (WLO) scenario’s van het PBL en het Centraal Planbureau (CPB), die laten zien wat er gebeurt als er minder of meer spreiding van de bevolking zal plaatsvinden of van de onzekerheidsvarianten die het PBL en het CBS van plan zijn in 2016 te gaan publiceren voor de nieuwe Pearl-prognose.

Dit onderzoek is gefinancierd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De auteurs danken Frank Bonnerman (BZK – DG Wonen & Bouwen), Marco Hoppesteyn (Gemeente Rotterdam – OBI), Annika Smits (Gemeente Amsterdam – OIS) en Jan Starmans (Gemeente Den Haag – DSO) voor hun feedback op een conceptversie van dit artikel. De inhoud en conclusies zijn geheel voor rekening van het NIDI.


 

Joop de Beer, Peter Ekamper & Nicole van der Gaag (2016), Vergelijking van de bevolkingsprognoses van Pearl en Primos voor de vier grote steden. NIDI-Webartikel 2016-01, april 2016. [www.nidi.nl/nidi-webart-2016-01]


 

Literatuur

ABF Research (2010),
Primos; transparantie in cijfers. Delft: ABF Research.
ABF Research (2012),
Socrates; transparantie in cijfers; over de woningmarkt. Delft: ABF Research.
Beer, J. de, P. Ekamper en N. van der Gaag (2016),
Grenzen aan de groei van de grote steden? Demos, bulletin over bevolking en samenleving 32 (4): 1-4.
Duin, C. van, en C. Harmsen (2009),
Een nieuw model voor de CBS huishoudensprognose, Bevolkingstrends 57 (3): 20-42.
Duin, C. van en L. Stoeldraijer (2013),
Bevolkingsprognose 2012–2060: langer leven, langer werken, Bevolkingstrends 61 (november): 1-19.
Duin, C. van, L. Stoeldraijer en J. Garssen (2013),
Huishoudensprognose 2013–2060: sterke toename oudere alleenstaanden, Bevolkingstrends 61 (september): 1-27.
Huisman, C., A. de Jong, C. van Duin en L. Stoeldraijer (2013),
Regionale prognose 2013-2040; vier grote gemeenten blijven sterke bevolkingstrekkers. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek en Planbureau voor de Leefomgeving.
Jong, A. de en M. Alders (2006),
PEARL: een nieuw regionaal prognosemodel, Bevolkingstrends 54 (3): 40-50.
Manders, T. en C. Kool (2015),
Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s. Den Haag: Centraal Planbureau en Planbureau voor de Leefomgeving.
PBL (2015),
De stad: magneet, roltrap en spons: bevolkingsontwikkelingen in stad en stadsgewest. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
Poulus, C., G. van Leeuwen, D. Omzigt en H. den Otter (2013),
Primosprognose 2013; de toekomstige ontwikkeling van bevolking, huishoudens en woningbehoefte. Delft: ABF Research.

NIDI-Webartikel

Gerelateerde artikelen

Links



Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken